Hond stinkt uit zijn bek? | 10 Tips slechte adem hond!

Oorzaken, oplossingen en middelen tegen slechte adem bij honden.

Diabetes (suikerziekte) Bij Katten | Help!

Diabetes mellitus (suikerziekte) bij katten

Steeds vaker wordt de diagnose “diabetes melitus” oftewel suikerziekte gesteld. Niet alleen bij mensen, maar ook bij huisdieren. Bij katten gaat het, net als bij mensen, vaak om diabetes type 2.

Bij diabetes type 2 maakt de alvleesklier (pancreas) wel insuline aan, maar zijn de cellen in het lichaam er minder gevoelig voor. Insuline is een hormoon dat een essentiële rol speelt in de suikerstofwisseling. Het moet het suikergehalte in het bloed regelen, de zogenaamde bloedsuikerspiegel.
Ingeval van insuline-ongevoeligheid wordt de glucose (bloedsuiker) niet goed in de lichaamscellen opgenomen.

Het is natuurlijk even schrikken als je kat de diagnose suikerziekte krijgt, maar deze ziekte is goed te behandelen. Uiteraard is extra zorg en een goede controle belangrijk, zowel door jou als baasje als door de dierenarts. Het is daarom verstandig om je goed in te lezen over diabetes bij je kat en wat daarbij komt kijken. Als je kat nog geen diabetes heeft, is het raadzaam om te lezen hoe je dat kunt voorkomen. Heb je geen kat maar een hond? Lees dan verder over diabetes bij honden.

 

Wat is diabetes of suikerziekte?

Als een huisdier, of een mens, diabetes heeft is er een verstoring in de suikerstofwisseling. Suiker komt als lange ketens suikermoleculen het lichaam binnen via de koolhydraten in het voedsel. Die ketens moet worden afgebroken tot glucose (suiker) en naar de lichaamscellen worden vervoerd. In de lichaamscellen dienen ze als energie, als brandstof voor allerlei processen. Het hormoon insuline, dat in de alvleesklier wordt geproduceerd, is onmisbaar om de glucose in de cellen te krijgen.

Men spreekt van diabetes als de alvleesklier weinig of geen insuline meer aanmaakt of als het lichaam niet goed reageert op insuline. In beide gevallen blijft het bloedsuikergehalte van je kat te hoog. Daarnaast krijgen de lichaamscellen ook niet de brandstof, die zij nodig hebben om het lichaam goed te laten functioneren.

Diabetes of suikerziekte leidt als het niet wordt behandeld dan ook tot diverse gezondheidsproblemen, die uiteindelijk zelfs dodelijk kunnen zijn.

Diabetes type 1 en type 2

Er zijn verschillende typen suikerziekte, waarvan diabetes type 1 en type 2 het meest voorkomen. Terwijl honden meestal diabetes type 1 hebben, komen bij katten beide typen voor.

Bij diabetes type 1 worden er cellen in de alvleesklier, die onder andere het hormoon insuline aanmaken, beschadigd of vernietigd. Dit gebeurt door het eigen afweersysteem, het is een auto-immuunziekte. Naarmate deze cellen, de “Eilandjes van Langerhans”, kapot gaan kan er steeds minder insuline geproduceerd worden. Minder of geen insuline betekent dat de energie uit de voeding niet in de lichaamscellen kan worden opgenomen. In de vorm van glucose blijft het in de bloedbaan circuleren.

Diabetes type 2, dat vaak wordt veroorzaakt door overgewicht, werkt anders. Er wordt hierbij wel insuline geproduceerd, maar de lichaamscellen zijn er minder gevoelig voor. Hierdoor kunnen zij de glucose niet goed opnemen. Door deze verstoring laten de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier het er op den duur ook bij zitten. Zij gaan minder insuline aanmaken. Het gevolg is dat er ook bij dit type diabetes uiteindelijk te weinig insuline is om alle suiker in het bloed te verwerken. Het gevolg is dat de bloedsuikerspiegel van de kat stijgt.

Oorzaken van diabetes bij katten

Veel katten krijgen tegenwoordig de diagnose “suikerziekte” (diabetes melitus), een tendens die we ook bij mensen en honden zien. Bij katten zien we net als bij mensen vaker diabetes type 2.

Diabetes type 1 komt vaker bij honden voor dan bij katten, maar toch kan een kat ook diabetes type 1 hebben. In dat geval maakt de kat zelf geen of te weinig insuline aan omdat het eigen afweersysteem de cellen die insuline moeten produceren heeft beschadigd of vernietigd. Het hormoon insuline is noodzakelijk om het bloedsuikergehalte te regelen.

Diabetes type 2 komt bij katten vaker voor en wordt meestal veroorzaakt door overgewicht. Hierbij neemt de gevoeligheid van de lichaamscellen voor insuline af. Op den duur gaan ook de Eilandjes van Langerhans slechter werken en beide ontwikkelingen zorgen ervoor dat de glucosespiegel van je kat stijgt.

Iedere kat kan suikerziekte ontwikkelen. Dat kan op iedere leeftijd, met elk voedingspatroon of erfelijke achtergrond. Toch is het geen puur toeval als je kat diabetes krijgt. Er zijn wel degelijk bepaalde risicofactoren bekend. Sommigen daarvan kun je beïnvloeden en andere niet.

Voor katten spelen de volgende factoren een rol bij het krijgen van suikerziekte:

Overgewicht en te weinig beweging

De allerbelangrijkste oorzaak van diabetes bij katten is overgewicht, eventueel in combinatie met te weinig beweging. Dit laatste komt uiteraard vaker voor bij katten die nooit buiten komen dan bij katten die hun energie buiten kwijt kunnen en volop in beweging zijn.

Overgewicht is hoe dan ook slecht voor de gezondheid en dat geldt niet alleen voor katten. Overgewicht leidt onder andere tot het minder gevoelig worden voor insuline door de lichaamscellen. Dit verschijnsel is kenmerkend voor diabetes type 2.

Veel katten krijgen teveel voer, dat ook nog eens niet de juiste samenstelling heeft. Een kat is een vleeseter van nature en het voer van een huiskat moet daarom eveneens veel eiwitten bevatten. Belangrijk zijn de de stoffen taurine en arachidonzuur, die een kat zelf weinig aanmaakt.

Wat beslist niet in kattenvoer moet zitten zijn veel koolhydraten. Die zijn afkomstig uit plantaardige producten als granen en aardappels. Ze worden in veel soorten kattenvoer gestopt omdat het de productie goedkoper maakt, maar de kat heeft er niets aan.

Glucose komt het lichaam binnen als koolhydraten, die in de darmen worden afgebroken tot het voor de lichaamscellen bruikbare glucose. Kattenvoer met teveel koolhydraten veroorzaakt daarom schommelingen in de glucosespiegel, hetgeen bijdraagt aan de ontwikkeling van diabetes type 2.

Hormonen

Insuline is een hormoon, dat in zijn functioneren kan worden tegengewerkt door andere hormonen. Als dat gebeurt gaat de alvleesklier ter compensatie meer insuline aanmaken. Dit orgaan kan door deze overproductie uitgeput raken, waardoor het niet langer in staat is om nog voldoende insuline te produceren. Te weinig insuline betekent dat de glucosespiegel van je kat niet binnen de normale grenzen gehouden wordt.

Medicijnen als prednison en hormoonpreparaties om de krolsheid te onderdrukken (poezenpil, antikrolsheid tabletten) geven een hogere kans op diabetes bij poezen. Hormonen in pil- of prikvorm verhogen niet alleen de kans op diabetes, maar kunnen leiden tot nog veel meer nare aandoeningen als tumoren in de melkklieren, zwelling van de melkklieren, baarmoederontsteking en -tumoren en cystes in de eierstokken.

Alles bij elkaar kun je deze risico’s natuurlijk beter vermijden en je kat desnoods laten steriliseren. Dit geldt des te meer wanneer een kat al gediagnosticeerd is met diabetes.

Het syndroom van Cushing

Bij het syndroom van Cushing spelen hormonen ook de hoofdrol. Bij deze aandoening produceert de bijnier teveel cortisol, het stresshormoon. Cortisol zorgt voor een verminderde gevoeligheid van de lichaamscellen voor insuline en het gevolg is suikerziekte.

Hoewel deze ziekte bij katten minder vaak voorkomt dan bij honden, is de prognose van een kat met diabetes slecht als deze door wordt veroorzaakt door het syndroom van Cushing.

Acromegalie

Acromegalie is een vorm van diabetes bij katten, die geneest na een operatie. Uit een Brits onderzoek kwam naar voren dat Acromegalie de achterliggende oorzaak is bij maar liefst een kwart van katten met diabetes.

Bij Acromegalie zit er een tumor in de hypofyse, dit is een klier in het hoofd zoals ook wij hebben.
Deze tumor produceert het groeihormoon, dat de werking van insuline tegenwerkt. Als je kat goed is ingesteld qua insuline-dosering, kan door middel van bloedonderzoek worden gekeken of er sprake is van deze afwijking. Als de groeihormoon- of IGF-1 waarden hoger zijn dan normaal, wordt een CT scan uitgevoerd.

Blijkt het inderdaad Acromegalie te zijn, dan kan je kat geopereerd worden. Meestal verdwijnt de diabetes na het verwijderen van de tumor, omdat de insuline niet langer wordt tegengewerkt door de overmatige productie van het groeihormoon. De insulinebehandeling kan dan uiteraard gestopt worden.

Leeftijd en geslacht

Diabetes en dan met name diabetes type 2, die bij mensen ook wel “ouderdomssuiker” wordt
genoemd, ontwikkelt zich bij katten ook op latere leeftijd. Bij katten is de kans op diabetes het grootst als ze tussen de 9 en 13 jaar oud zijn.

Daarnaast is er verschil tussen katers en poezen, katers lopen meer kans om diabetes te krijgen.

Genetische aanleg

Voor een deel is diabetes bij katten, net al bij mensen, erfelijk. Meestal gaat het dan om diabetes type 2, hoewel juist daarbij ook andere factoren meespelen als voeding en beweging. Ook het ras heeft invloed, bijvoorbeeld bij Burmezen wordt vaker suikerziekte geconstateerd dan bij andere rassen.

Dan zijn er nog katten waarbij diabetes type 1 erfelijk is. Die worden geboren met te weinig of slecht ontwikkelde “eilandjes van Langerhans” in hun alvleesklier. Aangezien deze cellen moeten zorgen voor de aanmaak van insuline, hebben deze kittens vanaf de geboorte al een probleem met hun suikerstofwisseling.

Operatie, ongeluk of ziekte

Omdat insuline wordt geproduceerd in de alvleesklier, kan de aanmaak ervan stagneren als dit orgaan beschadigd wordt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door een ongeluk of tijdens een operatie.

Ook als het functioneren van de alvleesklier wordt aangetast door een ontsteking of een tumor, kan dat suikerziekte in de hand werken. Tot slot kunnen infecties elders in het lichaam of een auto-immuunziekte tot diabetes leiden.

Dit zijn de factoren die kunnen bijdragen aan diabetes bij katten. Als er bij eem kat sprake is van meerdere factoren tegelijk, dan wordt de kans op diabetes steeds groter.

Hoe herken je diabetes bij je kat?

Als je kat diabetes heeft, betekent dat dat zijn of haar bloedsuikergehalte te hoog is. Dat kan komen door een tekort aan insuline of doordat de lichaamscellen niet goed reageren op insuline en daardoor de glucose, het bloedsuiker, niet goed op kunnen nemen.

Hieronder kijken we naar de typische symptomen van diabetes. Zo kun je de verschijnselen bij je kat herkennen en tijdig maatregelen nemen.

Veel plassen en veel water drinken

Het meest opvallende is misschien wel, dat je kat veel plast maar ook meer water drinkt dan normaal. Als de glucose-spiegel in het bloed te hoog wordt, reageert het lichaam door de overtollige suiker via de nieren af te scheiden. Daardoor gaat je kat meer plassen. Behalve de suiker verdwijnt daarmee ook veel vocht, dat moet worden aangevuld om niet uit te drogen. Vandaar het vaker water drinken.

Meer eten, maar toch vermageren

Glucose heeft het lichaam nodig als brandstof voor de cellen. Als er door een tekort aan insuline of door insuline-ongevoeligheid geen glucose in de cellen terechtkomt, krijgen die een tekort aan energie. Je kat krijgt dan meer honger krijgen en gaat op zoek naar eten. Omdat de brandstof niet op de juiste plek belandt, maar als glucose met de urine wordt afgevoerd, zal je kat ondanks meer eten toch gewicht verliezen.

Als de diabetes niet behandeld wordt, kan de eetlust later verminderen omdat je kat zich zieker gaat voelen.

Moe en lusteloos

Door het tekort aan brandstof in de lichaamscellen heeft je kat geen energie.

Urineweginfecties

Een kat met suikerziekte is gevoeliger voor urineweginfecties. Veel dierenartsen voeren daarom een urineonderzoek zodra er diabetes wordt geconstateerd.

Een ketonische adem

Ketonen worden in het lichaam gevormd als de lichaamscellen een zodanig energietekort hebben dat ze vetten gaan afbreken. Op die manier komen ze toch aan de benodigde energie. Mensen die willen afvallen, zoeken deze ketonische stofwisseling bewust op met een een koolhydraatarm dieet. Bij diabetespatiënten is de ketonische toestand echter ongewenst. Het wijst namelijk op een verstoring in de suikerstofwisseling, waardoor het lichaam gedwongen wordt om vet af te breken. Het doet dat om de lichaamscellen toch van energie te voorzien als er geen glucose binnenkomt. Als het bloed veel ketonen bevat, krijgt de adem van je kat een typische aceton-geur.

Hoe wordt de diagnose diabetes bij je kat gesteld?

De bovengenoemde symptomen wijzen, vooral in combinatie, meestal op diabetes. Toch kunnen ze ook wel bij een andere ziekte voorkomen. Als je kat last heeft van deze symptomen, zal de dierenarts om te beginnen het glucosegehalte van het bloed meten. De definitieve diagnose “diabetes” wordt pas gesteld als het bloedsuikergehalte na meerdere metingen te hoog is en er in de urine glucose of ketonen te vinden zijn.

Na het stellen van de diagnose kan de diabetes-behandeling van je kat beginnen. Hier kun je meer lezen over hoe de behandeling van suikerziekte bij katten in zijn werk gaat (LINK).

Wat gebeurt er als je de diabetes van je kat niet laat behandelen?

De bovenstaande verschijnselen gaan op langere termijn een enorme schade aanrichten in het katten-lichaam. Onbehandelde suikerziekte leidt niet alleen tot bovenstaande symptomen en een verminderd welbevinden van je kat. Je kat kan ondanks het vele eten vermageren of juist dikker worden. In de ogen kan zich een Cataract, grauwe staar, ontwikkelen die de ooglens vertroebelt en de kat blind kan maken.
Ook zullen wondjes slecht genezen, komen er ontstekingen in het lichaam en wordt de kat gevoelig voor bacteriële infecties. Verder kunnen er hart- en vaatziekten optreden en kunnen de nieren en de lever beschadigd worden.
Daarnaast is de kans op ketacidose groot, verzuring van het bloed door teveel ketonen. Een kat kan daar zodanig door verzwakken dat intensieve zorg bij de dierenarts of in de kliniek noodzakelijk is.

Als het goed is zul je je kat dit alles willen besparen. Het is daarom goed om alert te zijn op symptomen en tijdig in te grijpen als je kat mogelijk diabetes heeft of dat begint te ontwikkelen.

De behandeling van diabetes bij katten

Als je kat gediagnosticeerd wordt met diabetes (suikerziekte) is dat zeker niet het einde van de wereld. Diabetes is bij katten goed te behandelen, maar er zijn natuurlijk wel dingen waar je rekening mee moet houden. Om het tekort van je kat aan insuline te compenseren, zul je iedere dag twee keer een insuline-injectie moeten toedienen. Dat moet echt iedere dag en op vaste tijdstippen, dus ook als je op vakantie bent of een dagje uit.

Er zijn twee insulinepreparaten geregistreerd voor gebruik bij katten. Caninsulin, wordt veel gebruikt maar is eigenlijk voor honden. Het middel ProZinc verdient volgens veel dierenartsen de voorkeur, omdat het bij katten betere resultaten geeft.
Een voorwaarde voor het gezond houden van een kat met diabetes is dat je je goed aan het behandelplan houdt, dat je samen met de dierenarts opstelt. Daarnaast moet je begrijpen hoe het instellen van de insuline-behoefte werkt, waar je allemaal op moet letten en hoe je symptomen moet interpreteren.

Om te beginnen gaat de dierenarts de insuline-behoefte bepalen. In eerste instantie gebeurt dat door het glucosegehalte in het bloed en het gewicht van je kat te meten. Op grond hiervan wordt een schatting gemaakt van hoeveel insuline je kat nodig heeft.

Deze dosering moet echter nog nauwkeuriger worden vastgesteld, afhankelijk van hoe je kat erop reageert. Dit is het zogenaamde “inregelen” of “afstellen”. Aan het begin van de behandeling zal de dierenarts daarom heel regelmatig de glucosewaarde van het bloed van je kat moeten controleren.

Uiteindelijk leidt al dat meten tot de exacte, persoonlijke insuline-behoefte van jouw kat. Je zult dat direct merken, omdat de typische diabetes-symptomen (ANCHOR) verdwijnen en je kat weer zichzelf wordt. Het vele plassen en drinken is dan ook snel verleden tijd.

Wat wordt er dan precies gemeten?

Bij katten, maar ook bij andere dieren en mensen, wordt de glucosespiegel van het bloed uitgedrukt in “millimol per liter” (mmol/l). Als je kat gezond is en beschikt over voldoende insuline op de juiste momenten, zit die waarde tussen de 4 en 6 mmol/l.

Voor een goede diagnose worden er bij katten vaak nog andere stoffen in het bloed gemeten:

• Ketonen. Bij de symptomen van diabetes bij katten hebben we het al gehad over de ketonisch ademgeur. Deze typische aceton-achtige geur ontstaat als het bloed veel ketonen bevat. Als de lichaamscellen niet aan de benodigde brandstof (glucose) kunnen komen, gaat het lichaam vetten afbreken. De ketonen die daarbij ontstaan zijn ook in het bloed en de urine terug te vinden. Dat is een aanwijzing dat de kat inderdaad aan diabetes lijdt.

• Fructosamine is een eiwit, dat onder invloed van insuline in een soort suiker verandert. Als het suikergehalte in het bloed langere tijd te hoog is, zit er meer fructosamine in. Het meten hiervan heeft ten opzichte van glucose het voordeel dat het minder piekt. Veel katten schieten in de stress door een bezoek aan de dierenarts en stress zorgt voor een verhoogd suikergehalte in het bloed. Dit piekmoment zou kunnen leiden tot een onterechte suikerziekte-diagnose of een te hoog ingeschatte insuline-behoefte. Fructosamine geeft met andere woorden een beter lange termijn-beeld.

• Kalium is een mineraal, waarvan het gehalte in het bloed van de kat aanwijzingen kan geven voor diabetes. Door de ketonen in het bloed wordt dat zuurder (acidosis), hetgeen gepaard gaat met een verlies aan kalium. Het vele plassen zorgt daarbij ook nog voor afscheiden van kalium. Kalium is noodzakelijk voor een goed werkende spierfunctie en bij een gebrek eraan ontstaat spierzwakte. Katten met onbehandelde diabetes kunnen daardoor sterk verzwakken. Ketoacidose is een complicatie, die zo ernstig kan zijn dat de kat bij de dierenarts moet blijven voor intensieve zorg.

• Het mineraal fosfor. Hieraan kan een gebrek ontstaan tijdens de behandeling van diabetes. Terwijl de suikerziekte wordt behandeld, kan er door gebrek aan fosfor onopgemerkt een levensbedreigende situatie ontstaan.

Aanvullend urineonderzoek wordt vaak gedaan om bacteriële infecties op te sporen. Een kat met diabetes is namelijk gevoeliger voor urineweginfecties, die ook behandeld moeten worden.

Diabetes bij katten kan worden veroorzaakt door andere ziekten of medicijnen. Voorbeelden daarvan zijn prednison en de middelen om de krolsheid te onderdrukken. Deze hormoonpreparaten, zoals de poezen-pil en antikrolsheid-tabletten, geven niet alleen een hogere kans op diabetes maar werken ook de behandeling tegen. Dit soort achtergronden moeten dus ook worden onderzocht en zo mogelijk weggehaald worden.

Als de exacte dosering insuline voor je kat is vastgesteld, kunnen het aantal controles bij de dierenarts worden verminderd. De richtlijn na inregelen is iedere 3 maanden een controle door de dierenarts.

Daarnaast is het verstandig om het glucosegehalte in het bloed van je kat regelmatig zelf te meten. De insulinebehoefte kan namelijk in de loop der tijd veranderen, wat een aanpassing van de dosering nodig maakt.

Het behandelplan

Het behandelplan, dat je samen met je dierenarts opstelt, ziet er ongeveer als volgt uit.

Het insuline-niveau van je kat op peil houden

Door middel van insuline-injecties ga je ervoor zorgen dat het glucosegehalte in het bloed van je kat zo stabiel mogelijk blijft. Terwijl het glucosegehalte van een gezonde kat tussen de 4 en 6 mmol/l schommelt, blijkt het bijna onmogelijk om de bloedsuiker bij een kat met diabetes zo nauw te reguleren. Vanwege het risico van gevaarlijke hypo´s (een te laag boedsuikergehalte), zal er meestal worden gestreefd naar een waarde tussen de 6 en 8 mmol/l.

Hoe beter het lukt om de bloedsuikerspiegel tussen deze waarden te houden, hoe beter je kat zich voelt en hoe hoger de levensverwachting is.

De mogelijkheid om insulineproductie te stimuleren door middel van tabletten, zoals bij mensen wel gebeurt, heeft bij katten weinig zin. Je bent dus aangewezen op insuline-injecties om het glucosegehalte in het bloed van je kat te reguleren.

Insuline moet met een injectienaald worden ingebracht in de huid van je kat. Dat klinkt lastiger en enger dan het is. Iedereen kan het leren, uiteraard wel met de nodige aandacht. Om te beginnen moet de insuline nauwkeurig gedoseerd worden. Het flesje insuline moet altijd rechtop in de koelkast staan en voor gebruik niet geschud, maar heen en weer gezwenkt worden.

De dierenarts zal je dit natuurlijk uitleggen en ook een keer voordoen hoe je insuline uit het flesje opneemt en onderhuids bij je kat inspuit. De insuline-spuitjes zijn zo fijn, dat je kat het nauwelijks zal voelen.

Insuline moet twee keer per dag op vaste tijdstippen worden toegediend, met een tussenpauze van 12 uur. Je kunt in overleg met je dierenarts de precieze tijdstippen vaststellen, zodat ze passen in jouw dagritme.

Regelmaat is hierbij heel belangrijk. Dat betekent altijd dezelfde hoeveelheid insuline toedienen, op vaste tijden voer aanbieden, etc. Als je kat gewend was om zelf te bepalen wanneer zij eet, omdat er altijd brokjes beschikbaar zijn, dan kun je dat zo laten. Als je kat echter een keer per dag een maaltijd natvoer at, dan kun je die dagportie in tweeën verdelen. Dan voer je je kat twee keer per dag en geeft de insuline direct na de maaltijd.

Voor katten met diabetes zijn verschillende merken dieetvoer in de handel. Als je kat van één zo’n speciaal dieetvoer houdt, is het verstandig om daar direct bij de aanvang van de behandeling op over te gaan. Als je later van voer verandert, moet mogelijk de insuline-dosering weer worden aangepast.

Het glucose-gehalte in het bloed van je kat controleren

Zo nu en dan moet de bloedsuikerspiegel gecontroleerd worden om te zien of de insuline-dosering nog wel juist is. In de periode van het instellen zul je daarvoor naar de dierenarts moeten, maar als de kat eenmaal goed ingesteld is kun je het beter zelf gaan doen. Vooral omdat een bezoek aan de dierenarts voor de meeste katten geen fijn uitje is.

Het controleren van het glucosegehalte in het bloed van je kat kan op twee manieren, met een bloedsuiker-meter en met behulp van urinestrips. Controle moet regelmatig gebeuren, minimaal één keer per week en als er een risico van ketoacidose (ANCHOR) is zelfs twee keer per week.

Het controleren van bloedsuiker door middel van bloed prikken is vrij eenvoudig, al zal niet iedere kat het even leuk vinden. Je kunt prikken in een voetkussentje of aan de rand van een oor. Prik met een steriele injectienaald of prikpen, zodat er een flinke druppel bloed verschijnt. Dit omdat te weinig bloed de uitslag kan vertekenen. Zuig het bloed op met de teststrip en plaats die binnen drie minuten in de testmeter.

Een gemakkelijk alternatief is om de urine van je kat te controleren met behulp van Petnostics Diabestes Teststrips.

Met deze strips kun je heel gemakkelijk de urine van je kat checken op afwijkingen in het glucose- en ketonen-niveau. Om te testen moet je wel de urine van je kat opvangen. Omdat gewoon kattenbakgrit of -korrels de urine absorberen, moet je de inhoud van de kattenbak vervangen met de speciale Petnostics Hydrophobic Cat Litter. Als je kat heeft geplast, blijft de urine op deze korrels liggen. Er wordt een pipetje bijgeleverd, waarin je de urine van je kat opzuigt. Daarna doop je de teststrip in de urine, zet hem op de scankaart en laat de gratis Petnostics-app het urinemonster analyseren.

Een set Petnostics Diabetes Teststrips bestaat uit 5 teststrips en een scankaart. Met de Petnostics app ben je in staat om de verzamelde testresultaten op langere termijn volgen. Zo monitor je de gezondheid van je kat wat betreft diabetes ook op langere termijn.

Petnostics Diabestes Teststrips zijn natuurlijk geen vervanging voor een bezoek aan de dierenarts. Heeft je kat duidelijke en acute gezondheidsproblemen, ga dan direct naar de dierenarts. Als je met behulp van de Petnostics Diabetes Teststrips afwijkingen in de glucose- en ketonenspiegels vindt, is een bezoek aan de dierenarts ook nodig. Omdat je zelf al hebt getest, kun je de dierenarts meer informatie geven over wat je kat scheelt.

Overgewicht bestrijden

Overgewicht heeft een enorme invloed op de bloedsuikerhuishouding en is bij katten zelfs de belangrijkste oorzaak van diabetes. Als jouw kat overgewicht heeft, zal het bestrijden ervan in het behandelplan moeten worden opgenomen.

In de regel zijn katten met diabetes gediend met een koolhydraatarm en vezelrijk dieet. Bovendien hebben katten helemaal niet zoveel koolhydraten nodig, ook al worden die in kattenvoer gestopt om de productiekosten laag te houden.

Er bestaat ook speciaal dieetvoer, dat is gericht op katten met diabetes én overgewicht. De dierenarts kan je hierin adviseren en je begeleiden bij het bestrijden van overgewicht. Als je kat altijd binnen zit, is het goed om te kijken naar mogelijkheden voor meer beweging.

Welke complicaties kunnen er optreden als je kat diabetes heeft?

Het bloedsuikergehalte wordt te laag (hypo)

Te veel suiker in het bloed is een probleem, maar te weinig ook. Een beruchte complicatie van het toedienen van insuline is het risico dat het bloedsuikergehalte te laag wordt. Dit heet een hypo, officieel hypoglycemie. Een hypo is levensgevaarlijk, je kat kan eraan overlijden. Om deze reden wordt een kat altijd iets hoger ingeregeld dan de bloedsuikerwaarden van een gezonde kat.

Als je kat diabetes heeft, is het belangrijk om de symptomen van een hypo te kunnen herkennen. Ook moet je weten wat je moet doen om de glucosespiegel weer omhoog te krijgen als het gebeurt.

Een hypo treedt op als er teveel insuline in het bloed is in verhouding met de opgenomen koolhydraten en suikers. Verschillende situaties kunnen tot een hypo bij je kat leiden, zoals:

• De insuline-dosering is te hoog
• Je kat wil niet eten, maar heeft al wel insuline gehad
• Je kat braakt het eten uit, maar heeft al insuline gehad
• De insulinebehoefte verandert spontaan
• De insulinebehoefte vermindert door een verandering van het leefpatroon van je kat

Ingeval van een hypo wordt je kat eerst onrustig en gaat eventueel mauwen. Daarna wordt de kat overvallen door sloomheid, die gepaard kan gaan met spiertrillingen en stuiptrekkingen. Als het glucosegehalte in het bloed niet stijgt, raakt je kat bewusteloos en daarna in coma.

Wat te doen als je kat een hypo krijgt?

Voor een kat is een hypo echt levensgevaarlijk. Zorg er in voorkomende gevallen voor dat het bloedsuikergehalte van je kat zo snel mogelijk weer gaat stijgen. Dat kun je doen door wat suikerwater met een pipetje in de bek van je kat spuiten.

Druivensuiker is het best, omdat dit fijn is en goed oplost. Het is goed om dit in huis te hebben voor het geval je kat een hypo krijgt. Ga uit van 1 gram druivensuiker per kilo lichaamsgewicht. Meestal knapt een kat daar snel van op, waarna je kunt proberen of je kat wat wil eten.

Neem ingeval van een hypo altijd contact op met de dierenarts, ook als je ziet dat je kat ervan aan het herstellen is.

Ketoacidose

Als een kat met diabetes niet wordt behandeld, kan ze na verloop van tijd dermate ziek, zwak en misselijk worden dat ze stopt met eten en drinken. De oorzaak hiervan is dat het bloed zuurder wordt door teveel ketonen. Als het bloed zuurder wordt, gaat dat ten koste van het mineraal kalium in het lichaam, dat noodzakelijk is voor een goede spierfunctie. Een gebrek aan kalium leidt tot spierzwakte. Ketoacidose verzwakt katten ernstig. Ze kunnen hun kopje laten hangen en door de achterpoten zakken.

Vaak dient zich dan ook het symptoom ketonische ademgeur aan. Je herkent dit omdat de adem van je kat naar aceton of fruit ruikt.

Ketoacidose komt niet alleen voor bij onbehandelde diabetes, maar kan als complicatie voorkomen als je kat wel wordt behandeld maar niet goed is ingeregeld. Dit komt gelukkig niet zo heel vaak voor, maar als het gebeurt kan het dodelijk zijn. Om die reden moet je onmiddellijk actie ondernemen als je vermoedt dat je kat ketoacidose heeft.

De meest voorkomende symptomen zijn:
• Niet willen eten als gevolg van misselijkheid
• Braken en/of diarree
• Sloomheid en totale zwakte
• Uitdroging en totale instorting

Als je kat deze symptomen vertoont, terwijl die daarvoor goed was ingeregeld qua insuline-dosering, moet je direct contact opnemen met je dierenarts.
Dit geldt ook als de symptomen zich nog niet hebben aangediend, maar je met behulp van de Petnostics Diabestes Teststrips ketonen in de urine aantreft.

In ernstige gevallen van ketoacidose heeft je kat intensieve zorg nodig en zal bij de dierenarts of in de dierenkliniek moeten blijven.

Het Somogyi-effect

Te veel insuline in het bloed kan het Somogyi-effect uitlokken, ook wel “rebound hyperglycemie” genaamd. Als de glucosespiegel van je kat te snel zakt, kan haar lichaam reageren om die snelle daling te compenseren. Hierdoor stijgt het glucose-niveau weer. Als op grond hiervan de insuline-dosering wordt verhoogd, zakt de glucosespiegel nogmaals. Zo kan een jojo-effect ontstaan, dat kan leiden tot de levensgevaarlijke, eerder beschreven hypo.

Verhoog of verlaag daarom nooit zelf de voorgeschreven insuline-dosering. De dierenarts zal het Somogyi-effect herkennen en de behandeling richten op het stabiliseren van de insuline- en glucosewaarden.

Om de dierenarts bij verdenking van het Somogyi-effect van relevante gegevens te voorzien, kun je een dagcurve maken. Hiervoor meet je de glucosespiegel van je kat op een aantal momenten per dag, bijvoorbeeld om de 2 uur.

De eerder genoemde Petnostics Diabetes Teststrips kunnen je helpen om dit zo eenvoudig mogelijk te doen. Je hoeft daarbij geen bloed te prikken en de gratis Petnostics app houdt de testresultaten voor je bij.

Wat zijn de vooruitzichten van een kat met diabetes?

De meeste katten kunnen, als de insuline-dosering goed is afgesteld en het leefpatroon regelmatig is, een redelijk normaal leven leiden. Onder die voorwaarden is de levensverwachting van een kat met suikerziekte vergelijkbaar met een gezonde kat.

Een enkele keer, als de diabetes in een heel vroeg stadium is ontdekt, kan het zelfs genezen. Dit is zeldzaam en gebeurt alleen bij een tijdige behandeling, gecombineerd met het bestrijden van eventueel overgewicht. De kans hierop is groter bij regelmatig preventief bloed-of urineonderzoek.

In de meeste gevallen zal je kat echter levenslang insuline toegediend moeten krijgen. Voor een succesvolle behandeling van diabetes is het goed afstellen van de insuline-dosering een voorwaarde.
Ook regelmaat is belangrijk, in het inspuiten van de insuline, de voeding en beweging. Het kattenvoer moet een goede samenstelling hebben, zoals speciaal dieetvoer voor katten met diabetes.

Er zal regelmatig overleg met en controle bij de dierenarts nodig zijn. Daarnaast helpt het als je zelf tussentijds het bloed of de urine van je kat kunt controleren op het glucose-gehalte.
Dit omdat katten meestal niet altijd dezelfde insuline-behoefte houden. Om goed afgesteld te blijven moet dus regelmatig de bloedsuikerspiegel gecontroleerd worden. Daarnaast zijn katten met diabetes gevoeliger voor infecties, zodat je daar ook extra alert op moet zijn.

Hoe voorkom je dat je kat suikerziekte krijgt?

Je vraagt je na dit alles misschien af, hoe je kunt voorkomen dat je kat diabetes krijgt.

Bij het ontwikkelen van diabetes zijn een aantal risicofactoren niet te beïnvloeden. Maar de bij katten belangrijkste oorzaak, overgewicht, is dat wel. Het voorkomen of bestrijden van overgewicht bij je kat kan helpen om diabetes te voorkomen.

Liefde gaat, in tegenstelling tot wat beweerd wordt, niet door de maag. Als je echt van je kat houdt mest je hem of haar niet vet, maar geef je aandacht. Ook zorg je voor voldoende beweging. Katten die naar buiten kunnen zorgen daar zelf voor. Als je kat altijd binnenzit, is dat lastiger. In dat geval kun je veel spelen en het dieet aanpassen.

Niet alleen de hoeveelheid voedsel is belangrijk, maar ook de voedingswaarde. Katten zijn van nature vleeseters, zodat hun voeding vooral veel dierlijke eiwitten moet bevatten. Hun lichaam is daarop ingesteld en verbruikt ze ook. Onder andere moet kattenvoer taurine en arachidonzuur bevatten, dat ze in de natuur uit prooidieren kunnen halen en daarom zelf weinig aanmaken. Wat er vooral niet in kattenvoer moet zitten zijn veel koolhydraten. Die komen niet uit vlees, maar uit plantaardige producten als granen en aardappels.

Kant en klaar, compleet kattenvoer is in principe een gemakkelijke en goede manier om je kat te voeden. Bovendien zijn er verschillende soorten kattenvoer, al naar gelang de leeftijd. Dat is handig omdat de voedingsbehoefte van een kat verandert naarmate die ouder wordt. Als het goed is zitten alle benodigde voedingsstoffen in het kant en klare kattenvoer. Maar die moeten dan wel in de juiste verhoudingen aanwezig zijn en dat is helaas niet altijd het geval.

Kattenvoer met teveel koolhydraten zorgt voor grote schommelingen in de glucosespiegel, omdat het juist de koolhydraten zijn die in de darmen worden afgebroken tot glucose. Voer met veel koolhydraten draagt daarom bij aan overgewicht van je kat en aan de ontwikkeling van suikerziekte.

Bij de productie van kattenvoer zijn dierlijke eiwitten duurder dan koolhydraten. Dat is de reden dat veel (goedkoop) kattenvoer wordt opgevuld met koolhydraten. Dit draagt zeker niet bij aan de gezondheid van je kat. Om het risico op diabetes bij je kat te verkleinen, kun je het best de samenstelling van het voer bestuderen.

Als je kat erg kieskeurig is met eten, kun je verschillende merken en smaken uitproberen, maar let in alle gevallen op de juiste verhouding van eiwitten en koolhydraten.

Een hulpmiddel om de kwaliteit van kattenvoer te beoordelen is de Voerwijzer. Die geeft aan hoeveel van welke macronutriënten (eiwitten, koolhydraten en vetten) in brokjes, nat- en blikvoer zouden mogen zitten. Zo kun je zelf bekijken in hoeverre het favoriete voer van jouw kat ook bijdraagt aan zijn of haar gezondheid of juist het risico op diabetes vergroot.

Je kat regelmatig (laten) controleren op beginnende diabetes

Als een kat diabetes ontwikkelt, is het zaak om zo vroeg mogelijk met de behandeling te beginnen. In enkele gevallen kan de suikerziekte dan zelfs genezen.

Door preventieve controle kun je beginnende diabetes testen, nog voordat er sprake is van symptomen. Hiervoor kun je regelmatig naar de dierenarts gaan, maar je kunt dit ook heel gemakkelijk zelf controleren. Met de Diabetes Teststrips van Petnostics (LINK) check je de urine van je kat op afwijkingen in zowel de glucose- als de ketonen-spiegel.

Om de urine van je kat te testen moet je die eerst opvangen. Dat kan met de speciale Petnostics Hydrophobic Cat Litter. Die absorberen de urine niet, in tegenstelling tot normale kattenbak-korrels. De urine blijft liggen op de korrels, zodat je het met een bijgeleverd pipetje kunt opnemen. Vervolgens stop je de teststrip in de urine, zet hem op de scankaart en laat de gratis Petnostics app de urine analyseren.

Let op: de Petnostics Diabestes Teststrips zijn geen vervanging voor controle bij de dierenarts! Als je kat duidelijke en acute gezondheidsproblemen vertoont, moet je direct contact opnemen met de dierenarts.

Uiteraard doe je dat ook als je met behulp van de Petnostics Diabetes Teststrips afwijkingen in het bloedsuikerniveau of de ketonen-spiegel van je kat vindt. Bijkomend voordeel is dat jouw testresultaten de dierenarts direct al wat meer informatie geven over de problemen in de suikerhuishouding van je kat.

Bij diabetes geldt: hoe eerder het gediagnosticeerd is, hoe eerder er met de behandeling gestart kan worden. Dat betekent ook dat de juiste insuline-behoefte van je kat eerder nauwkeurig bepaald wordt. Dit verbetert de vooruitzichten en de levensverwachting van je kat.